Tandenknarsen

Charles Darwin dacht dat het een soort reflex was, een reactie van het centraal zenuwstelsel op een overdosis energie die er via de huid en de spieren weer uit moet. Daarom springt een kind als het blij is en huivert een muziekliefhebber bij een mooi stuk. Om diezelfde reden, dacht Darwin, knarsen de verdoemden met hun tanden.

Inmiddels weten we dat bijna iedereen het doet. "Als mensen in een laboratorium aan slaaponderzoek meedoen, knarst minstens tweederde", zegt Frank Lobbezoo, hoogleraar orale bewegingsstoornissen van de Universiteit van Amsterdam.
Daarmee heeft niet iedereen een knarsprobleem. Lobbezoo: "Dat wordt het pas als mensen vaak, langdurig en krachtig knarsen. Hoeveel mensen dat doen, weten we niet. We moeten afgaan op de aantallen die hulp zoeken. Omdat hun gebit slijt, of omdat ze spierpijn krijgen in hun kaken. Of omdat hun partners klagen."

Bij kinderen komt het relatief veel voor. Hun opkomende gebit past vaak nog niet goed en dat slijpen ze 's nachts bij, denken sommigen. Een slecht sluitend gebit zou daarom ook volwassenen tot nachtelijk bijschaven aanzetten, maar volgens Lobbezoo is daar geen bewijs voor. Het zit hem in de hersenen, zegt hij. "Het is een bewegingsstoornis, de knarsers hebben te veel of te weinig prikkelstoffen in hun hersenen. Dat verklaart ook waarom kinderen het vaker doen: hun motorisch zenuwstelsel is nog niet goed uitgerijpt."

Maar een echte verklaring is het niet. Want waar komt die verstoorde balans van prikkelstoffen dan vandaan? Men weet het niet. Er is het bekende 'verboden' rijtje: cafeïne, nicotine, alcohol en medicijnen. Stress speelt een rol, en hoewel het niet wetenschappelijk bewezen is, vermoedt Lobbezoo ook een erfelijke factor. "Als ik er in mijn kliniek naar vraag, is er altijd wel een nicht of oom die riet ook doet."

Veel is er nog niet tegen te doen. Ontspanning helpt. Mensen blijken vooral te knarsen in een wat lichtere slaapfase. Door ontspanningsoefeningen voor het slapen wordt de slaap dieper, en dat zou het knarsen buiten de deur houden. Zou kunnen, zegt de hoogleraar, maar zelf verwacht hij meer heil van medicijnen. In zijn lab proberen ze de problemen met Parkinson-medicijnen onder controle te krijgen. Lobbezoo: "Als je het mij vraagt, zijn medicinale therapieën de toekomst."

Hij verwacht er meer van dan van hulpmiddelen zoals de splint, een kunststof bit dat de knarser 's nachts moet indoen. "Je bestrijdt het probleem er niet mee en het werkt maar bij de helft van de patiënten. Bij een kwart werkt zo'n splint zelfs averechts.'

Je kunt ook wachten tot het voorbijgaat. Uit onderzoek zou blijken dat het op latere leeftijd verdwijnt. Lobbezoo heeft zijn twijfels. "Dat onderzoek is in Québec gedaan. Toevallig weet ik dat relatief veel mensen daar een kunstgebit hebben. En zonder gebit leun je niet knarsen." 
 
 
 Verschijningsdatum: 23-10-2006
 Rubriek: Uit de media
 Bron:  Trouw, 23-10-2006